Ringkasan Surat (AI)

Surat An Naba' menggambarkan hari kiamat dan tanda-tandanya. Tema utamanya adalah kekuasaan Allah menciptakan alam semesta. Pesan intinya adalah seluruh penciptaan menyaksikan keesaan Allah, dan manusia harus mempersiapkan diri menghadapi hisab.

1

عَمَّ يَتَسَاءلُونَ

Nopens wat ondervragen de ongeloovigen elkander?

2

عَنِ النَّبَإِ الْعَظِيمِ

Nopens het groote nieuws der opstanding.

3

الَّذِي هُمْ فِيهِ مُخْتَلِفُونَ

Omtrent welke zij niet overeenstemmen.

4

كَلَّا سَيَعْلَمُونَ

Waarlijk, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan kennen.

5

ثُمَّ كَلَّا سَيَعْلَمُونَ

Nogmaals, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan kennen.

6

أَلَمْ نَجْعَلِ الْأَرْضَ مِهَادًا

Hebben wij de aarde niet als een bed gespreid.

7

وَالْجِبَالَ أَوْتَادًا

En de bergen als staken om haar te bevestigen?

8

وَخَلَقْنَاكُمْ أَزْوَاجًا

Hebben wij u niet van twee seksen geschapen.

9

وَجَعَلْنَا نَوْمَكُمْ سُبَاتًا

En bepaald dat gij slapen zoudt om te rusten?

10

وَجَعَلْنَا اللَّيْلَ لِبَاسًا

Hebben wij van den nacht, geen kleed gemaakt om u te bedekken.

11

وَجَعَلْنَا النَّهَارَ مَعَاشًا

En hebben wij niet den dag bestemd, ten einde daarop uw levensonderhoud te winnen?

12

وَبَنَيْنَا فَوْقَكُمْ سَبْعًا شِدَادًا

Hebben wij niet zeven stevige hemelen boven u gebouwd.

13

وَجَعَلْنَا سِرَاجًا وَهَّاجًا

En daarin eene brandende lamp geplaatst?

14

وَأَنزَلْنَا مِنَ الْمُعْصِرَاتِ مَاء ثَجَّاجًا

En doen wij niet, uit de wolken, een overvloed van water stroomen.

15

لِنُخْرِجَ بِهِ حَبًّا وَنَبَاتًا

Om daardoor graan en kruiden voort te brengen.

16

وَجَنَّاتٍ أَلْفَافًا

En tuinen, dicht beplant met boomen?

17

إِنَّ يَوْمَ الْفَصْلِ كَانَ مِيقَاتًا

Waarlijk, de dag der scheiding is een onbepaald tijdstip;

18

يَوْمَ يُنفَخُ فِي الصُّورِ فَتَأْتُونَ أَفْوَاجًا

De dag waarop de trompet zal klinken, en gij in scharen ten oordeel zult optrekken.

19

وَفُتِحَتِ السَّمَاء فَكَانَتْ أَبْوَابًا

De hemelen zullen geopend wezen, en zij zullen vol poorten zijn, om er de engelen te laten doorgaan.

20

وَسُيِّرَتِ الْجِبَالُ فَكَانَتْ سَرَابًا

De bergen zullen voorbijgaan, en als damp worden.