كَذَّبَتْ ثَمُودُ الْمُرْسَلِينَ
De stam van Thamoed beschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.
Surat Asy-Syu'araa menegaskan Al-Qur'an dan ayat-ayat alam sebagai bukti kebesaran Allah yang terus didustakan orang kafir. Kisah Musa yang diutus kepada Fir'aun mengajarkan keberanian dalam berdakwah, karena Allah selalu menyertai dan melindungi hamba-hamba-Nya.
كَذَّبَتْ ثَمُودُ الْمُرْسَلِينَ
De stam van Thamoed beschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.
إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ صَالِحٌ أَلَا تَتَّقُونَ
Toen hun broeder Saleh tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَى رَبِّ الْعَالَمِينَ
Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.
أَتُتْرَكُونَ فِي مَا هَاهُنَا آمِنِينَ
Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,
وَزُرُوعٍ وَنَخْلٍ طَلْعُهَا هَضِيمٌ
En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?
وَتَنْحِتُونَ مِنَ الْجِبَالِ بُيُوتًا فَارِهِينَ
En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt?
الَّذِينَ يُفْسِدُونَ فِي الْأَرْضِ وَلَا يُصْلِحُونَ
Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren.
قَالُوا إِنَّمَا أَنتَ مِنَ الْمُسَحَّرِينَ
Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten.
مَا أَنتَ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُنَا فَأْتِ بِآيَةٍ إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ
Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt.
قَالَ هَذِهِ نَاقَةٌ لَّهَا شِرْبٌ وَلَكُمْ شِرْبُ يَوْمٍ مَّعْلُومٍ
Saleh zeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag.
وَلَا تَمَسُّوهَا بِسُوءٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابُ يَوْمٍ عَظِيمٍ
En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd.
فَعَقَرُوهَا فَأَصْبَحُوا نَادِمِينَ
Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.
فَأَخَذَهُمُ الْعَذَابُ إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَةً وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ
Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet.
كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍ الْمُرْسَلِينَ
Het volk van Lot beschuldigde Gods boodschappers eveneens van bedrog.