Ringkasan Surat (AI)

Surat Asy-Syu'araa menegaskan Al-Qur'an dan ayat-ayat alam sebagai bukti kebesaran Allah yang terus didustakan orang kafir. Kisah Musa yang diutus kepada Fir'aun mengajarkan keberanian dalam berdakwah, karena Allah selalu menyertai dan melindungi hamba-hamba-Nya.

81

وَالَّذِي يُمِيتُنِي ثُمَّ يُحْيِينِ

En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.

82

وَالَّذِي أَطْمَعُ أَن يَغْفِرَ لِي خَطِيئَتِي يَوْمَ الدِّينِ

En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.

83

رَبِّ هَبْ لِي حُكْمًا وَأَلْحِقْنِي بِالصَّالِحِينَ

O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.

84

وَاجْعَل لِّي لِسَانَ صِدْقٍ فِي الْآخِرِينَ

En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke;

85

وَاجْعَلْنِي مِن وَرَثَةِ جَنَّةِ النَّعِيمِ

En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;

86

وَاغْفِرْ لِأَبِي إِنَّهُ كَانَ مِنَ الضَّالِّينَ

En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord.

87

وَلَا تُخْزِنِي يَوْمَ يُبْعَثُونَ

En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;

88

يَوْمَ لَا يَنفَعُ مَالٌ وَلَا بَنُونَ

Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.

89

إِلَّا مَنْ أَتَى اللَّهَ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ

Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;

90

وَأُزْلِفَتِ الْجَنَّةُ لِلْمُتَّقِينَ

Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.

91

وَبُرِّزَتِ الْجَحِيمُ لِلْغَاوِينَ

En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;

92

وَقِيلَ لَهُمْ أَيْنَ مَا كُنتُمْ تَعْبُدُونَ

En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,

93

مِن دُونِ اللَّهِ هَلْ يَنصُرُونَكُمْ أَوْ يَنتَصِرُونَ

Welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?

94

فَكُبْكِبُوا فِيهَا هُمْ وَالْغَاوُونَ

En zij zullen in de hel geworpen worden; zoowel zij, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,

95

وَجُنُودُ إِبْلِيسَ أَجْمَعُونَ

En het geheele heir van Eblis.

96

قَالُوا وَهُمْ فِيهَا يَخْتَصِمُونَ

De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:

97

تَاللَّهِ إِن كُنَّا لَفِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ

Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.

98

إِذْ نُسَوِّيكُم بِرَبِّ الْعَالَمِينَ

Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.

99

وَمَا أَضَلَّنَا إِلَّا الْمُجْرِمُونَ

De zondaren alleen hebben ons verleid.

100

فَمَا لَنَا مِن شَافِعِينَ

Thans hebben wij geene tusschentreders.