Surah ke-37 · 182 ayat

ASH SHAAFFAAT (YANG BER SHAF-SHAF)

Ringkasan Surat (AI)

Surat ini menegaskan keesaan dan kekuasaan mutlak Allah melalui sumpah para malaikat serta penciptaan alam semesta. Pesan intinya memperingatkan manusia agar tidak meniru kesombongan kaum musyrik yang mengingkari kebenaran dan hari kebangkitan.

21

هَذَا يَوْمُ الْفَصْلِ الَّذِي كُنتُمْ بِهِ تُكَذِّبُونَ

Dit is de dag der onderscheiding tusschen de rechtvaardigen en de zondaren, dien gij als eene leugen verwerpt.

22

احْشُرُوا الَّذِينَ ظَلَمُوا وَأَزْوَاجَهُمْ وَمَا كَانُوا يَعْبُدُونَ

Verzamel degenen, die onrechtvaardig hebben gehandeld en hunne makkers, en de afgoden welke zij aanbaden.

23

مِن دُونِ اللَّهِ فَاهْدُوهُمْ إِلَى صِرَاطِ الْجَحِيمِ

Naast God, en leidt hen op den weg der hel.

24

وَقِفُوهُمْ إِنَّهُم مَّسْئُولُونَ

En plaats hen voor Gods vierschaar; want zij zullen geroepen worden om rekenschap af te leggen.

25

مَا لَكُمْ لَا تَنَاصَرُونَ

Wat deert u, dat gij elkander niet verdedigt?

26

بَلْ هُمُ الْيَوْمَ مُسْتَسْلِمُونَ

Maar op dien dag zullen zij zich aan Gods oordeel onderwerpen.

27

وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَى بَعْضٍ يَتَسَاءلُونَ

En zij zullen elkander naderen en onder elkander twisten.

28

قَالُوا إِنَّكُمْ كُنتُمْ تَأْتُونَنَا عَنِ الْيَمِينِ

En de verleiden zullen zeggen tot hen die hen hebben verleid: Waarlijk, gij kwaamt tot ons met voorspellingen van voorspoed.

29

قَالُوا بَل لَّمْ تَكُونُوا مُؤْمِنِينَ

En de verleiders zullen antwoorden: Neen! gij waart veeleer geene ware geloovigen;

30

وَمَا كَانَ لَنَا عَلَيْكُم مِّن سُلْطَانٍ بَلْ كُنتُمْ قَوْمًا طَاغِينَ

Want wij hadden geene macht over u, om u te dwingen, maar gij hebt vrijwillig gezondigd.

31

فَحَقَّ عَلَيْنَا قَوْلُ رَبِّنَا إِنَّا لَذَائِقُونَ

Daarom werd het vonnis van onzen Heer rechtvaardig over ons uitgesproken, en wij zullen zekerlijk zijne wraak proeven.

32

فَأَغْوَيْنَاكُمْ إِنَّا كُنَّا غَاوِينَ

Wij verleidden u, maar wij dwaalden ook zelven.

33

فَإِنَّهُمْ يَوْمَئِذٍ فِي الْعَذَابِ مُشْتَرِكُونَ

Zij zullen op dezen dag dus beiden deelgenooten van dezelfde straf zijn.

34

إِنَّا كَذَلِكَ نَفْعَلُ بِالْمُجْرِمِينَ

Zoo zullen wij met de zondaren handelen;

35

إِنَّهُمْ كَانُوا إِذَا قِيلَ لَهُمْ لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ يَسْتَكْبِرُونَ

Want toen er tot hen werd gezegd: Er is geen god buiten den waren God, bliezen zij zich op met hoogmoed.

36

وَيَقُولُونَ أَئِنَّا لَتَارِكُوا آلِهَتِنَا لِشَاعِرٍ مَّجْنُونٍ

En zeiden: zullen wij onze goden voor een bezeten dichter verlaten?

37

بَلْ جَاء بِالْحَقِّ وَصَدَّقَ الْمُرْسَلِينَ

Neen! hij komt met de waarheid en legt getuigenis af voor de vroegere gezanten.

38

إِنَّكُمْ لَذَائِقُو الْعَذَابِ الْأَلِيمِ

Gij zult zekerlijk de pijnlijke martelingen der hel proeven.

39

وَمَا تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

En gij zult niet vergolden worden, dan overeenkomstig uwe werken.

40

إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ

Maar wat de oprechte dienaren Gods betreft.