Surah ke-20 · 135 ayat

THAAHAA — Ayat 18

18

قَالَ هِيَ عَصَايَ أَتَوَكَّأُ عَلَيْهَا وَأَهُشُّ بِهَا عَلَى غَنَمِي وَلِيَ فِيهَا مَآرِبُ أُخْرَى

Hij antwoordde; Het is mijn staf, waarop ik leun, en waarmede ik bladeren voor mijne kudde afbreek, en welken ik ook voor andere doeleinden bezig.

Tafsir Ibnu Katsir

Tafsir

Hij zei: "Het is mijn wandelstok; ik steun erop als ik spring en loop, en ik sla er bladeren mee plat zodat ze op mijn schapen vallen en ze opeten. Ik gebruik hem ook voor andere doeleinden, zoals het dragen van proviand en water, en het verjagen van insecten." Hij voegde aan zijn antwoord een uitleg toe over waarvoor hij de stok gebruikte.