Surah ke-19 · 98 ayat
MARYAM — Ayat 35
35
مَا كَانَ لِلَّهِ أَن يَتَّخِذَ مِن وَلَدٍ سُبْحَانَهُ إِذَا قَضَى أَمْرًا فَإِنَّمَا يَقُولُ لَهُ كُن فَيَكُونُ
Het is niet passend voor God dat hij een zoon zou hebben; zulk eene lastering zij verre van hem. Als hij over iets besluit zegt hij slechts: Wees! en het is.
Tafsir
Het past God niet om een zoon te nemen, Hij is immers verheven. Hem boven dat verheffen, wanneer Hij een zaak besluit, wat betekent: Hij is van plan die te bewerkstelligen. Hij zegt er slechts tegen: "Wees", en het is. De nominatieve vorm wordt geïmpliceerd door "Hij", en de accusatieve vorm door "dat". En daaruit is de schepping van Jezus zonder vader voortgekomen.