Surah ke-11 · 123 ayat

HUUD — Ayat 31

31

وَلاَ أَقُولُ لَكُمْ عِندِي خَزَآئِنُ اللّهِ وَلاَ أَعْلَمُ الْغَيْبَ وَلاَ أَقُولُ إِنِّي مَلَكٌ وَلاَ أَقُولُ لِلَّذِينَ تَزْدَرِي أَعْيُنُكُمْ لَن يُؤْتِيَهُمُ اللّهُ خَيْرًا اللّهُ أَعْلَمُ بِمَا فِي أَنفُسِهِمْ إِنِّي إِذًا لَّمِنَ الظَّالِمِينَ

Ik zeg u niet: De schatten van God zijn in mijne macht, noch zeg ik: Ik ken Gods geheimen, noch zeg ik: Waarlijk ik ben een engel; noch zeg ik van degenen op welke gij verachtende blikken slaat: God zal hun op geenerlei wijze goed doen (God weet het beste wat in hunne zielen is); want dan zou ik zekerlijk een onrechtvaardige zijn.

Tafsir Ibnu Katsir

Tafsir

En ik zeg niet tegen u dat ik de schatten van God bezit, noch dat ik het onzichtbare ken, noch dat ik een engel ben. Integendeel, ik ben een mens zoals u. En ik zeg niet tegen hen die u veracht, dat God hun geen goed zal schenken. God weet het beste wat er in hun hart omgaat. Want als ik dat zou zeggen, zou ik zelf tot de onrechtvaardigen behoren.