Ringkasan Surat (AI)

Surat Asy-Syu'araa menegaskan Al-Qur'an dan ayat-ayat alam sebagai bukti kebesaran Allah yang terus didustakan orang kafir. Kisah Musa yang diutus kepada Fir'aun mengajarkan keberanian dalam berdakwah, karena Allah selalu menyertai dan melindungi hamba-hamba-Nya.

41

فَلَمَّا جَاء السَّحَرَةُ قَالُوا لِفِرْعَوْنَ أَئِنَّ لَنَا لَأَجْرًا إِن كُنَّا نَحْنُ الْغَالِبِينَ

Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij tot Pharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen?

42

قَالَ نَعَمْ وَإِنَّكُمْ إِذًا لَّمِنَ الْمُقَرَّبِينَ

Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen.

43

قَالَ لَهُم مُّوسَى أَلْقُوا مَا أَنتُم مُّلْقُونَ

Mozes zeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt.

44

فَأَلْقَوْا حِبَالَهُمْ وَعِصِيَّهُمْ وَقَالُوا بِعِزَّةِ فِرْعَوْنَ إِنَّا لَنَحْنُ الْغَالِبُونَ

Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht van Pharao zullen wij de overwinnaars zijn.

45

فَأَلْقَى مُوسَى عَصَاهُ فَإِذَا هِيَ تَلْقَفُ مَا يَأْفِكُونَ

En Mozes wierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht.

46

فَأُلْقِيَ السَّحَرَةُ سَاجِدِينَ

Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder

47

قَالُوا آمَنَّا بِرَبِّ الْعَالَمِينَ

En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen.

48

رَبِّ مُوسَى وَهَارُونَ

De Heer van Mozes en Aäron.

49

قَالَ آمَنتُمْ لَهُ قَبْلَ أَنْ آذَنَ لَكُمْ إِنَّهُ لَكَبِيرُكُمُ الَّذِي عَلَّمَكُمُ السِّحْرَ فَلَسَوْفَ تَعْلَمُونَ لَأُقَطِّعَنَّ أَيْدِيَكُمْ وَأَرْجُلَكُم مِّنْ خِلَافٍ وَلَأُصَلِّبَنَّكُمْ أَجْمَعِينَ

Pharao zeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen. Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.

50

قَالُوا لَا ضَيْرَ إِنَّا إِلَى رَبِّنَا مُنقَلِبُونَ

Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren.

51

إِنَّا نَطْمَعُ أَن يَغْفِرَ لَنَا رَبُّنَا خَطَايَانَا أَن كُنَّا أَوَّلَ الْمُؤْمِنِينَ

Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben.

52

وَأَوْحَيْنَا إِلَى مُوسَى أَنْ أَسْرِ بِعِبَادِي إِنَّكُم مُّتَّبَعُونَ

En wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.

53

فَأَرْسَلَ فِرْعَوْنُ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ

En Pharao zond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen

54

إِنَّ هَؤُلَاء لَشِرْذِمَةٌ قَلِيلُونَ

Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.

55

وَإِنَّهُمْ لَنَا لَغَائِظُونَ

En zij zijn verwoed op ons.

56

وَإِنَّا لَجَمِيعٌ حَاذِرُونَ

Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.

57

فَأَخْرَجْنَاهُم مِّن جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ

Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,

58

وَكُنُوزٍ وَمَقَامٍ كَرِيمٍ

Hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.

59

كَذَلِكَ وَأَوْرَثْنَاهَا بَنِي إِسْرَائِيلَ

Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven.

60

فَأَتْبَعُوهُم مُّشْرِقِينَ

En zij vervolgden hen bij het opgaan der zon.