Surah ke-3 · 200 ayat

ALI 'IMRAN (KELUARGA 'IMRAN) — Ayat 14

14

زُيِّنَ لِلنَّاسِ حُبُّ الشَّهَوَاتِ مِنَ النِّسَاء وَالْبَنِينَ وَالْقَنَاطِيرِ الْمُقَنطَرَةِ مِنَ الذَّهَبِ وَالْفِضَّةِ وَالْخَيْلِ الْمُسَوَّمَةِ وَالأَنْعَامِ وَالْحَرْثِ ذَلِكَ مَتَاعُ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَاللّهُ عِندَهُ حُسْنُ الْمَآبِ

Den menschen werd prikkel en begeerte tot vrouwen, kinderen, goud en zilver, edele paarden, kudden en akkers ingeplant; dit zijn allen slechts de genietingen van dit leven, doch de schoonste terugkeer is die tot God.

Tafsir Ibnu Katsir

Tafsir

{De liefde voor verlangens is aantrekkelijk gemaakt voor de mensen} wat de ziel begeert en waar God om vraagt, heeft God aantrekkelijk gemaakt als een beproeving voor Satan {van vrouwen en kinderen en opgestapelde schatten} overvloedige rijkdom {van goud en zilver en mooie paarden} mooie {en vee} dat wil zeggen kamelen, runderen en schapen {en gewassen} gewassen {Dat} genoemde {is het genot van het wereldse leven} dat daarin genoten wordt en vervolgens vergaat {Maar bij God is de beste beloning} de bestemming, die het Paradijs is, daarom moet men het boven alles begeren.