Surah ke-45 · 37 ayat
AL JAATZIYAH (YANG BERLUTUT) — Ayat 10
10
مِن وَرَائِهِمْ جَهَنَّمُ وَلَا يُغْنِي عَنْهُم مَّا كَسَبُوا شَيْئًا وَلَا مَا اتَّخَذُوا مِن دُونِ اللَّهِ أَوْلِيَاء وَلَهُمْ عَذَابٌ عَظِيمٌ
Vóór hen ligt de hel, en wat zij ook zullen gewonnen hebben, zal hun volstrekt niet baten; noch de afgoden welke zij, naast God, tot hunne schutsgeesten hebben genomen; en zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan.
Tafsir
{Achter hen} betekent vóór hen, omdat ze zich in deze wereld bevinden {de hel, en wat ze hebben verdiend} aan geld en daden {zal hun niets baten, noch wat ze als beschermers hebben genomen naast God}, namelijk afgoden {en voor hen is er een zware straf}.